Azijn in mijn aderen

Het belangrijkste thema van ‘AZIJN IN MIJN ADEREN ’ is zelfmoord onder Hindostaanse meisjes. Hindostaanse meisjes doen meer dan welke groep in Nederland één of meerdere pogingen tot zelfmoord. In de Hindostaanse gemeenschap rust op het onderwerp een groot taboe. Er wordt niet tot nauwelijks over gesproken. Terwijl de Hindostaanse gemeenschap het goed doet in Nederland. De Hindostanen zijn een goed geïntegreerde bevolkingsgroep qua werk, opleiding en inkomen. Alleen het sociaal-cultureel aspect blijft achter.

omslag-azijn-in-mijn-aderen

Anno 2011 is de keiharde realiteit dat we ondanks het zwijgen te maken hebben met een urgent probleem, want:

– jaarlijks doen minstens tweehonderd Hindostaanse jongeren in Den Haag, Nederland en omgeving een zelfmoordpoging (medicalfacts, 2011).

– bijna een op de vijf Hindostaanse meisjes heeft een zelfmoordpoging gedaan in Rotterdam (Diana van Boven, 2009).

– Hindostaanse meiden tussen de 15 en 24 jaar hebben vier keer vaker een poging tot zelfdoding gedaan dan autochtone leeftijdsgenoten in de periode tussen 1987 en 1993 (o.a. W.J. Schudel 1999).

De diverse onderzoeken wijzen verschillende oorzaken aan voor (een poging tot) zelfmoord, namelijk: huiselijk geweld – onvrijheid – onderdrukking –- spanningen tussen ouders en kinderen – prestatiedruk – seksueel geweld – incest – homoseksualiteit – armoede – kopieergedrag van Bollywoodfilmsterren- gedwongen partnerkeuze – het niet geaccepteerd worden van de partner vanwege etniciteit, geloof, huidskleur, sociale klasse, opleiding -een succesvol imago willen ophouden verslaving – schulden- – depressiviteit.

Kortom niet mogen zijn wie je wilt zijn (schaamte) of mogen doen wat je wilt doen (schuld).

Het boek is via deze link te koop

Het plegen van zelfmoord doe je niet opeens. Er gaat een proces aan vooraf dat begint met een gedachte en leidt tot een plan. Een plan waar je in kaart brengt hoe je het gaat doen, waar je het gaat doen en wanneer je het gaat doen.

Een oplettende omgeving kan de veranderingen in je gedrag zien. Je bent bijvoorbeeld meer teruggetrokken, begint dingen weg te geven, maakt toespelingen op de dood.

Een empowerde omgeving pakt jouw verstilde kreten om hulp op. En komt in beweging. Probeert met je in gesprek te raken. Organiseert hulp. Bijvoorbeeld via de website www.jestaatnietalleen.nl waar allerlei essentiële informatie is te krijgen.

De cijfers

Professor Schudel schrijft over het hoge percentage van minderheden in ons land die een poging tot zelfdoding doen: ‘Die cijfers drukken een psychosociale noodsituatie uit. Het geeft een aanwijzing voor de mate van sociale stress in (delen van) de samenleving. Ze zegt echter vooral iets over het (on)vermogen van individuele personen om hun problemen op te lossen.’

Hieronder vind je een kort overzicht van cijfers, onderzoeken, artikelen, Kamervragen en over zelfdoding en pogingen daartoe in binnen- en buitenland.

– Op 29 mei 2012 heeft Khadija Arib, PvdA-lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal aan de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht over zelfdoding onder Hindostaanse meisjes.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het boek «Azijn in mijn aderen» over de hoge zelfdoding onder Hindostaanse meisjes?
Vraag 2
Herinnert u zich mijn eerdere schriftelijke vragen over zelfmoorden onder Hindostaanse, Turkse en Marokkaanse meisjes en suïcidaal gedrag van jonge migrantenvrouwen in Nederland?
Vraag 3
Wat vindt u ervan dat ondanks eerdere antwoorden op mijn schriftelijke vragen, namelijk dat er voldoende aandacht is voor deze problematiek, uit het boek blijkt dat dit niet waar is? Wat is uw mening over het ontbreken van voorlichting, deskundigheid en hulp inzake zelfdoding bij Hindostaanse meisjes?
Vraag 4
Is het waar dat scholen geen of nauwelijks aandacht schenken aan de problematiek rondom de hoge zelfdoding onder jonge migrantenvrouwen in Nederland? Zo ja, wat is uw mening hierover? Zo nee, waaruit blijkt het tegendeel dan?
Vraag 5
Deelt u de mening dat een doelgroepspecifieke aanpak en voorlichting op middelbare scholen hard nodig is, naast adequate reguliere hulpverlening en toegankelijke geestelijke gezondheidszorg, om de hoge zelfdoding onder Hindostaanse meisjes en andere jonge migrantenvrouwen tegen te gaan? Zo ja, op welke wijze gaat u deze problematiek aanpakken? Zo nee, waarom niet?
Vraag 6
Beschikt u over recente landelijk cijfers betreffende het suïcidaal gedrag van jonge migrantenvrouwen in Nederland? Zo ja, om hoeveel meisjes gaat het? Onder welke bevolkingsgroepen doet dit verschijnsel zich voor? Zo nee, bent u bereid hiernaar onderzoek te laten verrichten?
Vraag 7
Is het waar dat suïcide, na verkeersongelukken, de meest voorkomende doodsoorzaak onder jongeren is? Zo ja, welke oorzaak ligt daaraan ten grondslag? Zo nee, waaruit blijkt dat?
Vraag 8
Bent u bereid om te bewerkstelligen dat er bredere aandacht komt rondom zelfdoding binnen het onderwijs opdat jongeren geleerd kan worden om te gaan met deze problematiek en het onderwerp bespreekbaar wordt? Zo ja, op welke wijze gaat u dat doen? Zo nee, waarom niet?
Vraag 9
Deelt u de mening dat veel professionals van hulpverleningsinstanties, zoals de jeugdzorg en de geestelijke gezondheidszorg, nog steeds onvoldoende geëquipeerd zijn om passende en verantwoorde zorg te bieden aan jonge migrantenvrouwen en met name Hindostaanse meisjes die te maken hebben met deze problematiek? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om professionals beter te equiperen om de hoge zelfdoding onder deze vrouwen en onder jongeren in het algemeen te beteugelen? Zo nee, waarom niet?

– Op 21 november 2011 heeft Khadija Arib, PvdA-lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal aan de minister en de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over zelfmoorden onder Hindoestaanse, Turkse en Marokkaanse meisjes, de volgende vragen gesteld:
Vraag 1:
Hebt u kennisgenomen van het bericht over zelfmoorden onder Hindoestaanse, Turkse en Marokkaanse meisjes en de website «je staat niet alleen»?
Vraag 2
Herinnert u zich mijn eerdere schriftelijke vragen over zelfmoorden onder Hindoestaanse meisjes?
Vraag 3
Hebt u een beeld van de omvang van dit probleem? Om hoeveel meisjes gaat het, en onder welke bevolkingsgroepen doet dit verschijnsel zich voor? Zo nee, bent u bereid onderzoek hiernaar te doen?
Vraag 4
Deelt u de mening dat deze meisjes te lang met problemen lopen en niet bij de reguliere hulpverlening terecht kunnen?
Vraag 5
Deelt u de mening dat veel hulpverleningsinstanties zoals jeugdzorg, geestelijke gezondheidszorg nog steeds niet in staat zijn adequate hulp te bieden aan deze categorie meisjes, en met name de geestelijke gezondheids- zorg nog steeds niet toegankelijk is voor deze groepen? Zo nee, bent u bereid uw mening met argumenten en feiten te onderbouwen?

– ‘Jaarlijks doen minstens tweehonderd Hindostaanse jongeren in Den Haag, Nederland en omgeving een zelfmoordpoging. Het liefst op gruwelijke wijze. Hulpverleners schatten dat nog eens enkele duizenden, ook elders in het land, met zulke plannen rondlopen.’ (Er wonen circa 160.000 Hindostanen in Nederland:redactie). Medicalfacts, november 2010.

– ‘Zelfmoordpogingen komen meer voor bij Turkse en Hindostaanse meisjes dan bij Nederlandse meiden. Dat blijkt uit onderzoek van sociologe Diana van Bergen. Zij ontdekte op basis van cijfers van de Rotterdamse GGD dat bijna een op de vijf Hindostaanse meisjes ooit een zelfmoordpoging had gedaan (19,2 %). Van de Turkse meisjes had een kleine 15 procent geprobeerd zich van het leven te beroven. Bij de Nederlandse meisjes lag dit aandeel net onder de 10 procent. Marokkaanse meisjes doen juist minder vaak een zelfmoordpoging dan Nederlandse meisjes; ‘slechts’ 6,2 procent van hen gaf aan ooit een zelfmoordpoging te hebben gedaan.’ Diana van Bergen ‘Suicidal behaviour of young migrant women in the Netherlands,’ 2009.

– ‘In de periode tussen 1987-1993 werden 4458 pogingen tot zelfdoding (parasuïcide ) op Haags grondgebied geregistreerd. Het aantal parasuïcide plegende personen bedroeg 3333. In 1753 gevallen betrof het mannen en in 2705 gevallen waren het vrouwen. Dit betekent zo’n 637 gevallen van parasuïcide per jaar. Uit het onderzoek bleek in de leeftijd tot 45 jaar kwam parasuïcide bij meisjes/vrouwen met een Surinaamse afkomst beduidend vaker voor dan bij vrouwelijke Nederlanders, Turken en Marokkanen. Ook onder jonge mannelijke Surinamers werden relatief hoge parasuïcidecijfers gevonden, evenals onder Turkse jonge vrouwen en onder Marokkaanse meisjes van 15-19 jaar. Hindoestaanse meiden van 15 tot 24 jaar doen vier keer vaker een poging dan autochtone leeftijdsgenoten.’ Epidemiologie van parasuïcide in Den Haag door W.J. Schudel, H.W.A. Struben en J.M. Vroom-Jongerden. 1999.

Maar ook de situatie in de herkomstlanden is zeer ernstig.

(Suriname)

– ‘Op de EHBO zijn dagelijks gemiddeld 7 tot 9 aanmeldingen van personen die grammoxone (pesticide: redactie) hebben ingenomen. Het jongste slachtoffer is 9 jaar. De hoge aantallen zijn zeer verontrustend. Omdat niet alle zelfmoordpogingen worden geregistreerd zal het aantal nog hoger liggen. Volgens de Voorlichtingsafdeling van het Korps Politie Suriname hebben 71 personen zelfmoord gepleegd in 2010. In het eerste halfjaar van 2011 (januari-juli) noteerde de politie een totaal aantal van 23 gevallen van zelfdoding. Het aantal kan hoger liggen, omdat niet alle gevallen worden doorgespeeld naar de politie. Dagblad Suriname, november 2011.

– Wereldwijd is het aantal geslaagde zelfdodingen per 100.000, 16. Bij een doorvertaling van de aantallen in Nickerie, dan kom je uit op 44 geslaagde zelfdodingen per 100.000. Dat is 3 keer zo hoog. Analyse en aanpak sociale problematiek onder Hindostanen in Suriname door Chan E.S. Choenni 2009.

(India)

– ‘Op dit moment vindt de grootste golf van suïcide in de geschiedenis plaats. De afgelopen 16 jaar hebben meer dan een kwart miljoen boeren een eind aan hun leven gemaakt. Dit betekent dat elke dertig minuten een Indiër sterft door het plegen van suïcide. Skynews, november 2011.

Antwoord op vraag 1 en 2.
Ja, ik heb kennisgenomen van dit bericht en ik herinner mij de eerder door u gestelde schriftelijke vragen over suïcidaal gedrag van jonge migrantenvrouwen in Nederland die door de voormalige bewindslieden van VWS in 2009 zijn beantwoord (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009 – 2010,Aanhangsel 244).

Antwoord op vraag 3.
Er zijn geen landelijke cijfers beschikbaar van het aantal suïcide pogingen onder bepaalde groepen migranten jonge vrouwen. Wél zijn er op regionaal niveau gegevens beschikbaar over suïcidepogingen onder deze groepen. Uiteen vergelijkende studie ‘Suïcidaal Gedrag van Jonge Migranten Vrouwen in Nederland’ (2009) blijkt dat er sprake is van verhoogde suïcidaliteit onder bepaalde allochtone groepen jonge vrouwen. In deze studie is gebruikgemaakt van gegevens uit Rotterdam en deze studie heeft betrekking op suïcide pogingen en niet op geslaagde suïcides. Uit deze gegevens blijkt onder meer dat er sprake is van een verhoogd percentage van Turkse meisjes (14,6 procent) en van Hindoestaanse meisjes(19,2 procent) ten opzichte van Nederlandse meisjes (8,8 procent) die een suïcide poging hebben ondernomen. Onder meisjes van Marokkaanse afkomst ligt het percentage suïcidepogingen daarentegen juist lager (6,2 procent) ten opzichte van Nederlandse meisjes. Ook cijfers van de gemeente Den Haag over de periode 2008 en 2009 laten een verhoogde suïcidaliteit zien onder Turkse en Hindoestaanse meisjes.Ik zie geen toegevoegde waarde om verder onderzoek te laten verrichten naar de exacte omvang van deze groepen.

Antwoord op vraag 4 en 5.
Voor de toegankelijkheid van de ggz voor allochtone meisjes en jonge vrouwen verwijs ik naar het antwoord op vraag 4 en 5 van de eerder door u gestelde schriftelijke vragen over suïcidaal gedrag van jonge migrantenvrouwen in Nederland die door de voormalige bewindslieden van VWS in 2009 zijn beantwoord (Tweede Kamer, vergaderjaar 2009 – 2010,Aanhangsel 244). In dit antwoord wordt verwezen naar de Trend rapportage GGZ 2008 van het Trimbos-instituut waaruit onder andere blijkt dat allochtone vrouwen sterk emanciperen wat betreft zorggebruik bij psychische problemen.
In een recent verschenen proefschrift van dr. T. Fassaert ‘Ethnic differencesand similiarities in care for anxiety and depression in the Netherlands’ (2011)worden evenwel enkele belangwekkende conclusies gepresenteerd ten aanzien van de toegankelijkheid van de ggz voor bepaalde etnische groepen.In dit proefschrift worden Nederlanders vergeleken met Marokkanen, Turken, Surinamers en Antillianen die in Nederland wonen, voor wat betreft de stand van de wetenschap op het gebied van de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg voor angst en depressie. Onderzocht is of er verschillen zijn tussen deze etnische groepen in Nederland.

In het proefschrift wordt geconcludeerd dat er geen bewijs is voor de stelling dat minder vaak aan de zorgbehoefte werd voldaan van Nederlanders met een niet-Westerse achtergrond (bij vergelijkbare ziektelast). De ervaren behoefte aan zorg voor psychische klachten was hoger bij Turkse personen, het geen vooral verklaard kon worden door de hogere prevalentie van stoornissen indie groep, terwijl Marokkaanse personen juist minder behoefte hadden aan zorg dan Nederlanders, zo werd geconcludeerd in dit proefschrift.Verder is geconcludeerd voor wat betreft het verband tussen etnische achtergrond en zorggebruik voor angst en depressie dat vooral personen meteen Marokkaanse achtergrond, in verhouding tot Nederlanders, mindergebruik leken te maken van eerstelijnszorg voor psychische klachten. Een mogelijke verklaring die hiervoor wordt gegeven, is de lagere ervaren behoefte aan zorg voor psychische klachten, die een sleutelrol vervult in het hulp zoek proces.Voor wat betreft het gebruik van de tweedelijns ggz wordt geconcludeerd dat dit vergelijkbaar was tussen Nederlanders en personen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond. In dit proefschrift wordt geconcludeerd dat de ggz niet ontoegankelijker is en geen kwalitatief minder goede zorg levert aan personen met een niet-Westerse achtergrond.
Daarnaast kan (anonieme) e-mental health een belangrijke bijdrage leveren een het aanbieden van een laagdrempelige vorm van hulpverlening voor deze groep meisjes. In de praktijk blijkt er ook er verschillende websites en fora te zijn die voorzien in hulpverlening aan allochtone jongeren, hetzij op het gebied van ggz-problematiek of andere hulpvragen die samenhangen met hun etniciteit. Gelet op dit aanbod en gelet op de conclusies uit het hierboven vermelde proefschrift, deel ik uw mening niet dat met name de ggz niet in staat zou zijn adequaat hulp te bieden aan personen van niet-westerse afkomst en daarmee aan de allochtone meisjes aan wie u refereert.